BLVRT: Suddenly This Interview

March 25, 2019

Leen en Jari zijn een koppel en resideren beiden in De Tank, waar we hebben afgesproken voor het interview. Bij het binnenkomen van het atelier van Leen, waan je je even in een jungle van borstels, doeken en verftubes. Op het ritme van Sonic Youth (“een oude CD die ik teruggevonden heb, niet op letten”) baanden we ons een weg naar een comfortabele positie. Een stoel neerplanten in dit nest aan artefacten van het creatieproces bleek geen sinecure. Wat volgde was een oneindige stroom aan koffie, gepaard met een gesprek over kunstenaarschap en het leven als Bruggeling.

 

 

 

Jullie hebben beiden aan Luca School of Arts gestudeerd, in een toch wel iets andere richting, Jari als interieurvormgever en Leen in de vrije beeldende kunsten. Jari, jij bent voornamelijk gekend als het gezicht van Het Verdriet van België. Doe je momenteel nog iets met die opleiding?

 

Jari: “Enkel voor mezelf. Ik ben nu voornamelijk bezig met architectuur, want interieurvormgeving vind ik vaak iets te beperkt en oppervlakkig.”

 

Wat moet ik me daar bij voorstellen?

Jari: “Ik maak voornamelijk tekeningen. Vaak heel conceptueel en helemaal niet functioneel gerelateerd.”

 

Hoe staan jullie persoonlijk tegenover het kunstenaarschap? Voor Leen is dat mogelijks een makkelijkere vraag dan voor jou Jari?

Jari: “Ik zie mezelf zeker niet als kunstenaar en bijgevolg de werken die ik maak ook niet als kunst, maar eerder als creatieve uitingen.”

 

Het is wel een beetje de eeuwige discussie: is interieurvormgeving of architectuur kunst? Is wat Gerrit Rietveld maakte bijvoorbeeld kunst?

Jari: “Het is verstaanbaar dat ze interieurvormgeving en architectuur in kunstonderwijs onderbrengen, maar dat maakt het nog niet persé kunst. Het is iets dat je gebruikt en op dat moment is het geen kunst meer. Je hebt natuurlijk wel zeer abstracte en sculpturale architectuur, maar het is niet omdat het mooi is dat het kunst is.”

 

Leen: “Voor mij is de vraag over kunstenaarschap redelijk simpel: ik zie mezelf wel als kunstenaar en vind dat je dat ook moet durven zeggen. Sommigen vinden dat raar als iemand zichzelf beschrijft als kunstenaar, maar hoe ga je jezelf anders noemen? Het is niet altijd evident om dat van jezelf te zeggen, maar ik denk dat het belangrijk is dat toch te durven doen.”

 

Zie je jezelf ook als schilder? Ik herinner me dat we daarover al eens een discussie hebben gehad.

Leen: “Ik ben in schilderkunst begonnen aan Sint-Lucas, maar je studeert uiteindelijk af in de Vrije Beeldende Kunsten. Het was wel een bewuste keuze om aan Sint-Lucas Gent te gaan studeren, omdat ik het gevoel had dat ze daar het begrip schilderkunst op een zeer vrije manier hanteren. Ik kan me mateloos ergeren aan de typische schilder die met zoveel arrogantie over grafiek of tekenkunst kan zeggen: “amai, da ’s toch interessant dat je met zo’n simpele dingen toch zo veel kan doen”.”

 

Dan waarom dan toch de keuze om te schilderen?

Leen: “Mensen werken vaak vanuit een vorm van ambachtelijkheid met een specifiek medium. Mijn relatie met schilderkunst als medium komt veel minder vanuit die specifieke fascinatie. Mijn materie is dan wel verf, maar dat is geen relatie die vanuit liefde of geduld voor het schilderen zelf komt. Ik zou zelfs durven zeggen dat mijn keuze eerder vanuit een strijd met de technieken en materialen van de schilderkunst voortkomt.”

 

Voor het interview vroeg ik jullie beiden om één werk of artiest te kiezen om te bespreken. Leen, jij koos voor de artiest Thomas Schütte en het werk “Suddenly This Overview” van Peter Fischli en David Weiss. Hoe reflecteert deze selectie op jouw praktijk? Je keuze bestaat voornamelijk uit sculpturaal werk.

Leen: “Ik heb hen eerder gekozen voor de manier waarop ze omgaan met hun oeuvre. Bijvoorbeeld Thomas Schütte: ik heb al verschillende tentoonstellingen van hem gezien in musea of galerijen, maar zijn werk is telkens anders. Dat is iemand die eenheid heeft in z’n oeuvre, maar die authenticiteit niet zo ver drijft dat het saaiheid wordt. Iets dat ik enorm apprecieer aan kunstenaars is als ze er in slagen om zichzelf op een bescheiden manier telkens opnieuw heruit te vinden. Bovendien is bij Schütte de communicatie tussen zijn verschillende werken zo cruciaal. Dat spelen met composities in de ruimte is iets waar ik in mijn eigen praktijk eveneens erg naar op zoek ben.”

 

Die samenhang en communicatie is bij ‘Suddenly This Overview’ ook meer dan duidelijk aanwezig.

Leen: “Ik vind dat echt een goed werk. Waarom: intellectueel is dat heel prikkelend. Als je het ziet lijkt het een overzicht zonder dat het ooit echt een overzicht is, wat ik direct mega spannend vind. In de 20ste eeuw heb je heel veel anti-representationele werken, die soms heel saai en vlak zijn in hun esthetiek. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Magritte. “Suddenly This Overview” is ook anti-representationeel, maar niet louter op die vlakke wijze. Het brengt een heel andere dimensie. De verzameling van hompjes klei die amper zijn bewerkt en niet zijn gebakken en braak zijn en vaak niet overeenkomen met hun titel, die elk apart één diaspora fragmentje vormen, soms zeer lullig en zielig, dat spreekt van een soort tederheid. Er ligt ook een parallel tussen hun manier van werken en hoe ik me verhoud tot de schilderkunst: ondanks het sculpturale aspect van deze werken, zouden Fischli en Weiss zich volgens mij nooit omschrijven als beeldhouwers.”

 

Jari: “Ja, het draait veel meer om dat conceptuele.”

 

Jari, jij koos voor een schrijver. William Morris, een 19de -eeuwse poëet, schrijver en socialist, met een duidelijke link naar je studies interieurvormgeving. Bovendien ook architect. Waarom precies de keuze voor hem?

Jari: “Tgoh, ik weet het niet… Hij werkte ook samen met z’n vrouw, misschien vandaar.”

 

Leen: “Jij vond dat vooral grappig.”

 

Jari: “Ja, ik vond dat wel grappig. Ik vind William Morris ergens wel grappig. Hij ging ook in tegen de Industriële Revolutie, waarbij plots alles moest geautomatiseerd worden. Ik denk dat wij daar ook ergens tegenin gaan, bijvoorbeeld tegen sociale media. De mensen gaan op een gegeven moment ook weleens zeggen: ’t is te veel.”

 

Op dat vlak liggen de 19de-eeuw en de 21ste niet zo ver uit elkaar?

Jari: “Ik denk dat wel, dat er bepaalde terug bewegingen op gang zijn. Volgens mij is heel die situatie van vandaag, met zotten als Mark Zückerberg, nog niet echt duidelijk voor de mensen. Binnen 50 jaar gaan we daar waarschijnlijk helemaal anders op terugblikken.”

 

Hoe zou William Morris daar nu op reageren?

Jari: “Die mens zou waarschijnlijk zelfmoord plegen.”

 

Is Morris, als interieurvormgever en architect, een inspiratie op vlak van stijl?

Jari: “Nee, niet persé. Of niet bewust alleszins. Ik zou wel willen doen zoals William Morris: architectuur studeren om dan enkel m’n eigen huis te ontwerpen en er daarna nooit meer iets mee te doen.”

 

Waar ligt voor jou de grens tussen creatieve uitingen en kunst?

Jari: “Ik zie wat ik doe niet als kunst maar als iets puur mezelf. Als er iets in m’n hoofd zit, wil ik dat uitwerken want anders blijf je daarin vastzitten. Vroeger, voor schoolopdrachten zoals het maken van meubels, ging ik soms zo conceptueel gaan werken dat m’n medeleerlingen echt niet konden verstaan dat ik op het einde van het jaar geslaagd was. Sint-Lucas wilde namelijk dat je zoveel mogelijk nadacht over hetgeen je produceerde, om dan uiteindelijk terug op iets heel ordinair en praktisch uit te komen. Maar die laatste stap heb ik eigenlijk heel weinig gemaakt. Na een studiereis in Venetië dienden we bijvoorbeeld een meubel te maken. Ik heb toen iets gemaakt dat de weg blokkeert.”

 

Leen: “Zalig!”

 

Jari: “Het toerisme in Venetië is zo georkestreerd dat er eigenlijk extern wordt bepaald naar wat je moet kijken, terwijl het grootste deel van de mensen vaak amper beseffen naar wat ze eigenlijk aan het kijken zijn. De belangrijke gebouwen worden over-gerestaureerd. Als je langs de kanalen passeert is het ene gebouw in perfect conditie terwijl het andere praktisch in elkaar stort. Dat creëert echt een zot contrast in Venetië. Het idee van dit “meubelstuk” was om de weg te blokkeren en aan te tonen aan mensen dat er ook andere zaken belangrijk zijn dan enkel dat over-gerestaureerde. Niet echt een archetypisch voorbeeld van een praktisch meubelstuk dus. De andere studenten waren echt kwaad dat ik met zoiets goede punten haalde.”

 

 

Hoe zit bij jullie de balans tussen leven voor de kunst en leven van de kunst?

Jari: “Binnen meer dan een maand heeft Leen een tentoonstelling, daar gaan we nog een beetje geld verdienen!”

 

Leen: “Nee, naast mijn praktijk als kunstenaar, werk ik ook. Ik geef bijvoorbeeld bijscholing kunstfilosofie in Tielt aan het OSVG en binnenkort begin ik voor de Academie voor Beeldende Kunsten Anderlecht les te geven. Ik doe een beetje van alles en ben voornamelijk nog wat opzoek. Dat lesgeven komt ook wel voort uit praktische en pragmatische redenen. Tegelijk is het uitdagend en het heeft te maken met m’n werk als kunstenaar. Zo blijft het combineerbaar met het artistieke leven.”

 

Het Verdriet van België bestaat ondertussen ook al meer dan vijf jaar. Hoe blik je daarop terug?

Jari: “Heel content. De mensen blijven komen. Misschien dat er ooit een keer een andere idioot een café begint en dan gaan ze allemaal naar daar gaan… Het café is twee avonden per week open wat me veel tijd laat voor andere dingen”.

 

Leen: ” Jari gaat nu ook gaan lassen bij een vriend van hem die antiquair is, Thomas Serruys. Dat is bijvoorbeeld iemand die met een heel andere blik op kunst kijkt en die er bovendien ook van kan leven.”

 

Jari: “Dat is wel het idee dat er in Sint-Lucas bij iedereen wordt ingeramd: dat een kunstenaar arm moet zijn. Het is zogezegd verkeerd om commerciële kunst te maken, op dergelijke kunstenaars wordt wat neergekeken.”

 

Leen: “Ik verkoop graag werken aan mensen waarvan ik weet dat het goed terechtkomt. De initiële motivatie om kunst te maken is zeker niet het verkopen van werk, maar het kan wel leuk zijn.”

 

 

Het werd daarnet kort vermeld: binnenkort heb je ook een tentoonstelling in de galerij van Thomas Serruys.

Leen: ” Ja, samen met Alice (Vanderschoot, red.) en Esther (Cornelis, red.). Onze praktijk heeft een erg verschillende invalshoek, wat volgens mij een interessant resultaat kan opleveren. Ik ben altijd benieuwd naar hoe verschillende werken met elkaar communiceren. Ik zie mijn eigen oeuvre als ietwat sektarisch: mijn werken zijn graag bij elkaar, ze zijn afhankelijk van elkaar. Als daar dan een tweede of derde actor bij komt kijken, is dat niet altijd even evident.”

 

Jullie hebben beiden in Gent of Brussel gestudeerd, tijdens Erasmus zelfs verder weg. In tegenstelling tot veel andere studenten hebben jullie er toch voor gekozen om terug te keren naar Brugge. Was dat een bewuste keuze?

Jari: “Van mij wel. Ik zou zeker niet in Gent gaan wonen. Dat is leuk zolang je studeert. Je leert zoveel mensen kennen en komt constant iedereen tegen maar achteraf is dat de hel. Ik woon graag in Brugge, ondanks de gebreken. Was het niet Brugge geworden, ik zou naar Brussel zijn verhuisd. Maar hier is het rustig, schoon en er zijn goede mensen. Als je hier ’s nachts rondwandelt is het prachtig, nog altijd.”

 

Leen: “Ja, dat is echt waar.”

 

Jari: “Ik kom wel amper buiten overdag. Ik kom onnozel van de toeristen. Maar ’s nachts wordt alles terug absurd mooi.”

 

Leen: “Ik heb lang in Gent gestudeerd en gewoond, maar heb er niet persé zo’n sentimentele band mee. Op een bepaald moment had ik het ook wel wat gehad met dat studentikoze. Andere kunstenaars of intellectuelen beschuldigen mensen wel graag op basis van waar ze wonen. Zeker als het kleiner is dan Gent, zoals Brugge.”

 

Jari: “Dat is zo’n absurd hipster idee: “we moeten in Gent wonen om iets met kunst te maken te hebben”. De kunstenaar gaat in het bos gaan wonen en er op z’n eentje gaan schilderen.”

 

Leen: “Mensen hebben me nog gezegd: “Ja, maar als je in Brussel woont kan je elke avond naar een lezing of een opening van een tentoonstelling gaan”. Maar ik ken mezelf, zelfs al kan ik elke avond naar een lezing of een tentoonstelling, ik zou het toch niet doen. Als je dat wel doet, wanneer zit je dan in je atelier of wanneer lees je dan een boek?”

 

Het werk van Leen Vandorpe is op 5, 6 en 7 april te zien in Thomas Serruys Gallerij op de BUNGALOW EXPO. Tijdens deze tentoonstelling worden eveneens werken gepresenteerd van Alice Vanderschoot, Esther Cornelis, Hans Borg en Thomas Serruys.

 

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload